Kattoem Evenementen Vais nies Verhalen Team Kattoem Partners Colofon

HISTORISCH

Op zijn queeste door West-Brabant maakt de stamboomonderzoeker veel kans om vroeg of laat in Borchlombeek verzeild te raken. Namen van telgrijke geslachten uit de streek zoals Dauwe, Eylenbosch, De Keghel, Van Belle, Van Den Nest, Van Lierde - om er maar enkele te citeren - kleuren de geschiedenis van dit dorp. Zolang de vorser zich in de veilige vaarwateren van de “Burgerlijke Stand” begeeft, zal hij met het opspeuren van zijn Borchtlombeekse voorouders weinig problemen ondervinden, de klassiekers niet te nagesproken zoals ontbrekende akten in de beginjaren van de Franse overheersing of rond het jaar 1815 toen het napoleontisch regime ten val kwam. Meer zelfs, hij zal in sommige registers aardige extraatjes ontdekken die je in andere gemeenten niet aantreft, zoals lijsten met de doodsoorzaak van de overledenen.Andere koek wordt het wanneer de stamboomklimmer verder wil doorstoten in de tijd. Waar in de meeste gemeenten de parochieregisters zich hiertoe als de meest voor de hand liggende bron lenigen - met wat geluk gaan ze terug tot begin van de 17de eeuw - stelt zich te Borchtlombeek een probleem; de oudste parochieboeken zijn verloren gegaan, naar verluidt door een brand in de pastorie ergens in de tweede helft van de 18 de eeuw doch alleszins voor 1788. De belangstellende zal het moeten stellen met parochieregisters die “slechts” teruggaan tot 1755 voor Borchtlombeek en 1752 voor Kattem.

Hiermee snijden we meteen een tweede punt aan dat opzoekingen in Borchtlombeek bemoeilijkt, namelijk de tweeledigheid van de gemeente. Want inderdaad, de dorpelingen werden niet over dezelfde kam geschoren. Wie tijdens het Ancien Régime te Kattem onder de zon liep werd als Brabander bestempeld, wie te Lombeek aan tafel schoof was Vlaming en genoot een ander administratief, fiscaal en juridisch regime. Kattem volgde de Brusselse maat, Lombeek de Aalsterse. Zelfs de dorpsherder noteerde de doopsels, huwelijken en uitvaarten in zijn kerkregisters op afzonderlijke bladen naargelang het om

een Kattemnaar of een Lombekenaar ging. Deze “apartheid” vertaalde zich bij wijlen in een waar kluwen.

Zo werd anno 1744 notaris Jan Frans Gillis uit Maria Lombeek aangezocht om in Borchtlombeek een dispuut over een gemeentelijkebestuurszaak te regelen: onder een luwe oktoberzon trekt hij langs het Gasthuishof en de Paepaert over het Hellegat en het Slibbergat richting Kattem. Waar de Profetenstraat een hoge rug opzet houdt hij even halt om op asem te komen. Niets laat hem vermoeden dat op deze plaats in 1783 een Stenen Kruis zou opgericht worden ter nagedachtenis van Franciscus, de eerstgeborene van Denijs Carlier, pachter van het Hof te Kattem, die er schielijk om het leven kwam. De notaris toogt

verder oostwaarts. Zijn mispelaar biedt hem op het modderige Hazenveld meer dan eens een reddende steun en hij slaakt haast een zucht van opluchting wanneer hij de knoteik merkt die de grens met Kattem aangeeft. In het glooiende dal ontwart hij tussen de ruivende bomen een fijne grijze rooksliert. Hij denk reeds aan de deugddoende warmte die hem opwacht in de hofstede van de gebroeders Minneir, de dorpsoudsten, bij wie hij te rade gaat. Terwijl de tachtigjarige Docus, de oudste van de twee, hem met vaste hand een druppel onvervalste Kattemse jenever inschenkt, kotert zijn tien jaar jongere broer, Wannes Minneir, de vlammen in de haard omhoog de schouw in. Eerzame, alom gerespecteerde burgers, de Minneirs. Hun gronden liggen in het lappendeken van akkers en weilanden dat zich uitspreidt over Ledeberg, Kattem en Strijtem. Beiden hebben ze in de vierschaar gediend. Hun reputatie staat buiten kijf. De notaris stelt hen gerichte vragen en vereeuwigt hun antwoorden in zijn minuten. Hij verneemt er “dat Kattem in de bancke van Borght Lombeke alteyt gehad heeft ene aparte rolle met dry schepenen”, “dat sij geboren Brabanders moesten sijn” en “dat er noyt gene schepenen aldaer geboren Vlamingen in dienste en hebben geweest nocht en moghen dienen”. Meer nog, “dat Catthem en heeft geene de alderminste gemeynsaemheyt met die van Vlaenderen ende oock dat het reght van Vlaenderen aldaer noyt in observatie en heeft geweest”. Hun antwoorden zijn zo klaar als hun brandewijn: de costuymen van het Land van Aalst golden niet voor Kattem. Dit voorval bevestigt de bij wijlen verwarrende administratieve toestand ter plaatse waarmee de genealoog zal moeten rekening houden wil hij zonder kleerscheuren andere bronnen aanboren om zijn voorouders te Borchtlombeek in de periode vóór 1752/1755 op te sporen. Voor een beter begrip van de lokale toestand moet hij een resolute stap terugzetten in de tijd en wel naar de Frankische periode. "Het Parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw” van Jan Verbesselt is in dit opzicht warm aanbevolen lectuur. De auteur schetst in dit lijvige werk de ontstaansgeschiedenis van het oude domein van St.-Eikhard te Kattem en de rol die de abdijen van Jumièges, Haspres, St.-Vaas, Nijvel, Ninove en Jette hier hebben gespeeld. Verder licht hij de totstandkoming van de nieuwe grenzen toe na het uiteenvallen van het oude Graafschap Halle, zonder de intriges tussen de heren van Ninove, Aalst, Grimbergen en de kastelijnen van Brussel te schuwen.

Uit deze smeltkroes van wereldlijke en kerkelijke belangen is de Abdij van Ninove in de twaalfde eeuw als grote overwinnaar naar voor getreden; eeuwenlang genoot ze te Kattem zowel de bestuurlijke als de rechterlijke macht. Doch de littekens van al deze gebeurtenissen rond de breuklijn tussen Vlaanderen en Brabant zijn in Kattem-Borchtlombeek steeds merkbaar gebleven; ook vandaag nog.

Om hun belangen te beschermen tegen wereldlijke bemoeienissen heeft de Abdij van Ninove haar Witheren die dienst deden als pastoor van Borchtlombeek eeuwenlang gehuisvest in een pastorij die tegen het Hof te Kattem stond, dus op vrije Kattemse grond, een heel eind gaans van de St.-Amanduskerk van Borchtlombeek en van haar Strijtemse afhankelijkheid St.-Martinus. Pas omstreeks 1641 liet abt Roelofs in de Rotte Meers tegen de Voetbeek een nieuwe pastorij bouwen, het "Cuerenhuys" of "Hooghuys", nog steeds op Kattems territorium.

Tot 1761 bediende de abdij van hieruit ook Strijtem. En zo hebben de opeenvolgdende pastoors, om de eeuwenoude prerogatieven van hun abdij te bestendigen, steeds een onderscheid gevormd tussen hun Lombeekse en Kattemse schapen, en dit tot het einde van het Oud Régime toen de Fransen komaf maakten met deze toestand. De stamboomklimmer zal moeten rekening houden met deze geplogenheden wanneer hij het Lombeeks archiefmateriaal aanboort. De Lombekenaren zal hij terugvinden onder de Buitenpoorters van Aalst en Geraardsbergen, de Kattemnaren tussen de meiseniers van Grimbergen of Gaasbeek. De penningcohieren van 1571 zijn dan weer een Vlaamse aangelegenheid. In de registers van de Confrérie van de Heylige Naem Jesus, een weinig gekende doch welgekomen aanvulling op de parochieregisters, staan Lombekenaren en Kattemnaren broederlijk zij aan zij tussen de geloofsgenoten uit de omliggende dorpen. Het register werd hervat in 1668, een jaar nadat de Fransen hier lelijk huis hielden en het oude register van de broederschap vernietigden. Wie tot de oudere generaties wil doordringen zal dus zijn gegevens niet alleen moeten sprokkelen in de Borchtlombeekse archieven die door Herman Van Isterdael in kaart gebracht werden (Rijksarchief Leuven). Ook het Aalsterse Stadsarchief heeft enkele bundels over Borchtlombeek te bieden. Wie naar Borchtlombeekse voorzaten speurt kan best ook de parochieregisters van Pamel, Strijtem en Wambeek openslaan, want hoe nauw de bestuurlijke eenheid tussen Borchtlombeek en de baronie Liedekerke/Denderleeuw ook was, beide entiteiten waren van mekaar afgesneden door het uitgestrekte Liedekerkebos waardoor er eerder een natuurlijke wisselwerking bestond tussen Borchtlombeek enerzijds en Wambeek en Strijtem anderzijds. De genealoog die de kruin van zijn stamboom wenst te bereiken zal aangewezen zijn op de pachtboeken en rekeningen van de Ninoofse Abdij.

De bewoning op Kattem heeft zich eind 19de, begin 20ste eeuw als een olievlek uitgebreid over de grens met Pamel. Door de oprichting van de kapelanie Kattem in 1945 - en later de autonome parochie Kattem - werd zelfs een stevige knauw genomen uit het gelovigenbestand van het toen naar parochiale autonomie strevende Ledeberg, dat hierdoor minder zwaar ging doorwegen ten opzichte van de moederparochie Pamel met wie het niet zo goed boterde. Hierdoor gingen de wereldlijke en kerkelijke grenzen van Borchtlombeek opnieuw verschillen. Om deze hutsepot af te werken overgieten we het geheel nog met een heerlijke feodale saus, want de genealoog moet bovendien nog rekening houden met de situatie op het Gucht, een woonkern in Strijtem op de grens met Borchtlombeek. Net zoals de Impegemnaren wereldlijk bij Liedekerke hoorden en kerkelijk bij Okegem, mochten de Guchtenaren belasting betalen aan Strijtem en zonden biechten bij de pastoor van Borchtlombeek. En, kers op de taart, ook de moderne mens heeft zijn steentje bijgedragen tot deze mikmak. Zo werd Borchtlombeek door de fusiebonzen met het botte mes opgesplitst tussen Liedekerke en Pamel. In 1982 volgden nog enkele grenscorrecties rond het Hof te Kattem. Zo moet de gemeente Liedekerke opdraaien voor een deel van de kosten van de Kerkfabriek van St.-Amandus want de wereldlijke en parochiale grenzen lopen nog steeds niet gelijk. Je zou haast denken dat in Borchtlombeek tektonische platen aan het werk zijn...